Al dente: Aanduiding voor de gaarheid van pasta, dit kun je testen door een stukje pasta tegen een rechtopstaande deksel te gooien. Blijft de pasta kleven dan is het gaar. 

Bakken: Het in een open pan in heet vet of olie gaar en bruin laten worden van producten. 

Blancheren: Het is het kort koken van voedsel, waarna je het ook direct weer afkoelt zodat het niet verder gaart.

Brunoise: Blokjes van ca. 0,5 cm2

Chiffonade: In reepjes gesneden bladgroenten. De breedte varieert van 3 mm. tot 1 cm.

Ciseleren: Snel snijden met de punt van het mes los van de plank.

Deglaceren: Het loskoken van aanbakksel .

Emulsie: Een mengsel van 2 soorten vloeistof die niet goed met elkaar te mengen zijn bv. olie en azijn.

Frituren: In diep vet of olie bakken van producten.

Fruiten: Aanbakken van producten zonder dat het kleur krijgt en het smaak af geeft.

Garneren: Aankleding van een gerecht met eetbaar voedingsmiddelen.

Geklaarde boter: De boter smelten, laten doorkoken en 10 minuten laten rusten. Het bovendrijvend botervet is de geklaarde boter, zeer geschikt om te bakken en groenten te glaceren.

Hakken: Snel kleinsnijden van producten zoals kruiden, noten en eieren.

Julienne: Reepjes van ca. 0,2 x 0,2 x 6 cm

Kloppen: Lucht in een product slaan met een garden zoals slagroom.

Koken: Een product gaar maken in een vloeistof van ca. 100°C.

Konfijten: Langzaam garen van vlees op zeer lage temperatuur in olie of vet of door groenten en fruit  te doordringen met suiker.

Marineren: Het laten binnendringen van aromatische stoffen in een product zodat het aroma van de marinade intrekt om de smaak te verbeteren of om het product malser te maken.

Monderen: ontvellen van een product (ook wel plicheren genoemd) De techniek wordt toegepast op tomaten maar kan ook gebruikt worden voor steenvruchten zoals perzik en abrikoos.  Monderen doe je door het kort onderdompelen van het product in kokend water en vervolgens direct in ijskoud water. Hierdoor laat het velletje los en blijft het vruchtvlees rauw.

Monteren: Het verbeteren van de smaak van soepen en sauzen door het verwerken van klontjes koude boter.

Myoteren:  Het verhitten van bepaalde specerijen op laag vuur met maar weinig olie of boter om de structuur van de specerijen zo te maken dat ze kunnen worden opgenomen in een gerecht.

Naperen: Koude en warme gerechten met een dun laagje gelei of saus bedekken

Passeren: Het zeven van vloeistoffen.

Pocheren: Garen van levensmiddelen in niet kokend vocht (70-75°).

Roeren: Vloeistof in beweging brengen om aanbranden te voorkomen.

Roux:  Mengsel van 5 delenbloem en boter waarmee je een gebonden soep of saus kan maken.

Rub: Mengsel van gedroogde kruiden en specerijen om je vlees of vis mee op smaak te brengen.

Spattelen: Een luchtig product met een ander product te mengen waarbij de luchtigheid wordt behouden.