Wijn

Bewaren van wijn

Flessen wijn met een kurk moeten liggend bewaard worden, zodat de kurk vochtig blijft en niet kan krimpen (anders zou er zuurstof bij de wijn kunnen komen, er zal deze snel bederven).

Wijn moeten donker, rustig en een constante en bij een temperatuur van 7 à 10 graden bewaard worden.

Inwerking van zuurstof 
Als je een wijn lang aan zuurstof blootstelt, leidt dat tot de afbraak van de wijn en wordt de wijn zuur.

 

 

Openen en serveren van de wijn

 

Benodigdheden ongekoelde wijn:  Benodigdheden gekoelde wijn:
  Kelnersmes   Kelnersmes
  Linnen servet   2 linnen servetten
  2 side plates   2 side plates
      IJsemmer met onderbord 

Werkzaamheden:
  Presenteer de fles, ongeopend, aan de gastvrouw of -heer.
  Plaats de fles, met het etiket naar het midden van de tafel, op het side plate.
  Snij de capsule geheel rondom door (op of onder de verbreding van de hals).
  Plaats het bovenste gedeelte van de capsule op het tweede side plate.
  Maak de bovenkant van de kurk en het vrijgekomen glasgedeelte goed schoon.
  Houd de fles stevig met één hand vast en draai het schroefdraad van het kelnersmes, recht in de kurk.
  Draai niet te ver door anders komen er stukjes kurk in de wijn terecht.
  Plaats de eerste hevel op de rand van de fles en trek de kurk langzaam een klein stukje uit de fles.
  Plaats daarna de tweede hevel; als de kurk er bijna uit is, moet je de trekkracht verminderen om te voorkomen dat de kurk “plopt’. Met draaiende beweging haal je de kurk uit de fles.
  Ruik aan de kurk om de kwaliteit te beoordelen.
  Verwijder de kurk van het kelnersmes en plaats deze op het tweede side plate, naast of in de capsule.
  Maak de rand van de hals van binnen en van buiten schoon.
 

Serveer aan de rechterzijde van de gastvrouw of -heer een klein beetje wijn, zodat deze gekeurd kan worden. Presenteer de fles bij de gast tijdens het keuren.

 

Na goedkeuring, serveer je de overige gasten (eerst dames van oud naar jong, daarna de heren van oud naar jong). De gastvrouw of gastheer serveer je als laatste.

 

Om de wijn in het glas te kunnen laten walsen, mogen de glazen slechts tot maximum tweederde gevuld worden. Het morsen van wijndruppels na het inschenken van een glas wijn kan worden voorkomen door de fles een snelle korte draai naar links of rechts te geven en tegelijkertijd de fles verticaal te brengen.

Nb. De tweede wijndoek die nodig is bij gekoelde wijnen, is bedoeld om de fles droog te maken (condens van het water uit de ijsemmer)  

Openen van mousserende wijn
Bij het openen van een fles mousserende wijn moet je er natuurlijk op letten dat de fles nooit naar een persoon of iets breekbaar wordt gericht.
  Allereerst verwijder je de capsule (geen kelnersmes nodig, er zit een trekdraadje aan de capsule).
  Daarna draai je de muselet los (metalen huls om de kurk).
  Vanaf nu hou je te allen tijde contact met de kurk. Mocht deze te vroeg omhoog komen, ben jij hiervoor gewaarschuwd.
  Draai, voorzichtig, zowel de fles als de kurk in tegengestelde richting.
  Tijdens het draaien voel je de kurk omhoogkomen, verminder op dit moment de draaikracht.
  De kurk moet met een bescheiden, sissend geluid van de fles loskomen. NIET knallen of spuiten!!

 

 

Temperatuur

De temperatuur waarop een wijn geserveerd wordt kan zowel negatieve als positieve elementen in die wijn versterken. In het algemeen wordt witte wijn koeler geserveerd dan rode. De gulden regel is het vermijden van extremen. Met andere woorden, serveer rood niet te warm, wit niet te koel. Serveer in geval van twijfel een wijn liever iets te koel dan iets te warm; in het glas warmt hij immers snel op. 
Een lage temperatuur accentueert tannines. Vandaar de aanbeveling om wijnen met veel tannine betrekkelijk warm te serveren. 
Serveer een rode wijn echter nooit boven de 20°C. Bij deze temperatuur begint de alcohol te verdampen en onaangenaam te prikken. 
Wordt een witte wijn onder de 8°C geserveerd, dan gaat dat ten koste van het aroma. Bovendien verlamt de koude de smaakpapillen en proef je maar een fractie van wat de wijn te bieden heeft.

Een indicatie voor serveertemperaturen per type:

Rode wijnen met veel tannine

16-18°

Lichte, fruitige rode wijnen

10-14°

Complexe droge witte wijnen

12-14°

Rosé

6-12°

Lichte droge witte wijnen

8-10°

Zoete witte wijnen

6-8°

Mousserende wijnen

6-8°


Glas 

Het glas moet rond, helder en kleurloos zijn om van de kleur van de wijn te kunnen genieten. Het glas is aan de bovenkant iets toegeknepen om het boeket (=geur) zoveel mogelijk vast te houden. Het glas moet een (hoge) voet hebben. Hierdoor stijgt de temperatuur niet door de warmte van je hand. Tevens kun je hierdoor beter walsen (=ronddraaien van de wijn in het glas).

Tip: bewaar wijnglazen als het even kan rechtop. Zet je ze omgekeerd in een kast, dan kan dat leiden tot hoogst onaangename geurtjes.